In de gevangenis van San Pedro kan alles

Een bezoek aan de San Pedro gevangenis in La Paz is een toeristische attractie van de eerste orde. Een reportage uit dit kleine dorp met zijn wijken, waar gevangenen in en uit lopen, en waar kinderen bij hun vader mogen wonen om ze van de gevaarlijke straat te houden.

‘De gevangenis in La Paz is uniek in haar soort,’ zegt Thomas. En hij kan het weten. Eerder heeft hij zijn tijd uitgezeten in Kenia, Turkije en Iran, alles voor hetzelfde vergrijp: handel in cocaïne. De Britse Jamaicaan is op de plaats van afspraak, om 1 uur ’s nachts in Mongo’s, een van de hotspots van de Boliviaanse hoofdstad, waar een biertje hetzelfde kost als het gemiddelde dagloon van de Boliviaan. Om de hoek is het Ritz Hotel, tarief per nacht: 120 dollar. Niets is Thomas te dol vanavond. Een dag eerder heeft hij zijn vrijheid herwonnen na vier jaar en drie maanden in de hel van San Pedro.

Meer nog dan de Inca-ruïnes van Machu Picchu in Peru of de Iguazu-watervallen in Brazilië is de San Pedro-gevangenis van La Paz een attractie die een beetje backpacker in Zuid-Amerika gezien wil hebben. In de slaapzalen van de goedkoopste hostels nemen de verslagen van degenen die er zijn geweest mythische proporties aan. Hoe meer uren je er hebt doorgebracht, hoe beter het verhaal. Iedereen heeft weer een andere naam paraat van gevangenen die tegen betaling een rondleiding voor toeristen verzorgen. En de echte waaghalzen gaan ernaartoe omdat ze weten: in de gevangenis zijn de drugs goedkoper en van betere kwaliteit dan erbuiten.

Aan de zuidkant van het plein doemt een gele kolos op. De gevangenis ziet eruit als een onneembare vesting.

Kakofonie
Het is zomer in Bolivia en het hagelt en regent tegelijk. De straten zijn veranderd in modderige rivieren en de sigarettenverkopers en schoenpoetsers die zich normaal op het plein van San Pedro ophouden, staan aan weerszijden van het plein te schuilen onder afdakjes. Aan de zuidkant van het plein doemt een gele kolos op. De gevangenis ziet eruit als een onneembare vesting.

Maar als een bewaker in bomberjack de loodzware deur opent, stap je in een andere wereld. Het is er een kakofonie van tandeloze onderwereldfiguren die om het hardst schreeuwen: ‘Voor wie kom je?’, ‘Wie zal ik voor je halen?’. Dit zijn de ‘taxi’s’, had Thomas me vannacht verteld: tegen betaling van een boliviano (ongeveer 35 cent) halen zij degene die je komt bezoeken. Broodmagere handen klemmen zich om de spijlen van het hek dat de bewakers en mij afscheidt van de binnenplaats op de achtergrond. San Pedro lijkt een gevangenis in de meest stereotiepe zin van het woord.

Even later verschijnt James, een lange zwarte Zuid-Afrikaan. Hij wenkt. Voor 50 bolivianos kan hij de gevangenis aan de binnenkant laten zien, zegt hij op fluistertoon. De persoonlijke gids zoekt oogcontact met de bewaker met wie hij het kennelijk het best kan vinden, terwijl mijn rugzak plichtmatig wordt doorgespit. Het fototoestel veroorzaakt enige commotie maar eenmaal aan de andere kant van het ijzeren hek registreert het in de paar uur die volgen van alles: een klein dorp met verschillende wijken, elk met hun eigen binnenplaats. Overdag kan iedereen vrij heen en weer lopen tussen de verschillende secties, ’s nachts worden ze afgesloten. Wasgoed hangt schilderachtig te drogen op de balustrades. Klik, zegt mijn fototoestel. Eén binnenplaats wordt als basketbalveld gebruikt, een ander is een terras met rode tafeltjes en Coca-Cola parasols. James poseert gewillig voor een kerststalletje dat er nog staat. Klik, klik.

Vier kilo in shampooflessen
De 1500 gevangenen van San Pedro zijn niet ingedeeld op grond van hun nationaliteit of de ernst van hun misdrijf, maar op hun financiële situatie. In de oostvleugel zitten Indianen opeengepakt op kamers die zo klein zijn dat sommigen in zithouding moeten slapen. Zij die het nog slechter hebben getroffen, brengen de nacht buiten door op de betonnen grond.

Voor 1000 dollar koop je een gemiddelde kamer van de vorige bewoner, voor een veelvoud daarvan een luxueuze suite met keuken, badkamer en televisie.

De westvleugel is het domein van gevangenen die het zich met behulp van familie of vrienden kunnen veroorloven om een betere kamer te huren of zelfs te kopen. Voor 1000 dollar koop je een gemiddelde kamer van de vorige bewoner, voor een veelvoud daarvan een – naar Boliviaanse begrippen – luxueuze suite met keuken, badkamer en televisie. Dat voorrecht is alleen weggelegd voor de welgestelden. James hoort daarbij, alsook Marco, een Italiaan wiens kamer we bezoeken. Hij is negen maanden geleden op het vliegveld betrapt met vier kilo cocaïne in shampooflessen. Zijn familie heeft hem sinds die tijd niet bezocht. Hij is blij met wat Europees gezelschap.

‘In San Pedro valt over alles te praten,’ vat hij de gang van zaken in de gevangenis samen. Hij somt op: als je niet op het ochtendappèl bent, het enige moment waarop de bewakers zich aan deze zijde van het hek vertonen, kom je voor 1 boliviano onder de straf van een nacht in de buitenlucht slapen af. Verdriedubbel dat bedrag en je hebt een avondje uit in La Paz, onder begeleiding van een bewaker.

Voor wie het kan betalen, lijken de leefomstandigheden in de gevangenis riant. Toch pleit Marco bij zijn ambassade voor overplaatsing naar Italië. De kou en de hoogte – La Paz is op 3500 meter de hoogste hoofdstad ter wereld – spelen hem parten; van het water wordt hij ziek en zelfs de dagelijkse hoeveelheid cocaïne die hij consumeert, kan niet verhinderen dat hij tegen de muren oploopt van verveling. Nee, dan is het in Nederland beter geregeld, weten de twee. ‘Daar wordt alles voor je betaald, je onderdak, je eten…,’ mijmert James. ‘En je hebt er werk,’ voegt Marco eraan toe. ‘Werk betekent discipline. Hier hangt alles helemaal van jezelf af.’

James verdient bij door het geven van rondleidingen. Medegevangenen zetten restaurantjes in de gevangenis op, verkopen ijs, sigaretten of drugs.

En dus verdient James bij door het geven van rondleidingen. Medegevangenen zetten restaurantjes in de gevangenis op, verkopen ijs, sigaretten of drugs. Weer anderen bieden hun diensten aan als bodyguard, zodat ook de rijkste drugsbaron rustig in het slechtste gedeelte van de gevangenis kan lopen zonder voor zijn leven te vrezen. James’ bodyguard is nu niet te vinden, maar voor heel even wil hij me wel voorgaan in het doolhof van donkere, vochtige straatjes dat leidt naar het armste deel van San Pedro.

Hij komt hier liever niet, vertelt hij. Voor drugs hebben de mensen hier geen geld, ze houden het bij drank. Maar dan wel van een stevige soort, met maar liefst 96 procent alcohol. Vechtpartijen zijn hier, vooral door het overmatige drankgebruik, aan de orde van de dag. Elke twee maanden overlijdt er wel iemand door messentrekkerij, schat James. De hamburgerkraampjes hebben plaatsgemaakt voor primitievere marktkraampjes met cassave en mango’s. Klik, klik.

Mensenrechten
Verschillende mensenrechtenorganisaties hebben inspecties verricht in de gevangenissen van Bolivia. Vastgesteld werd een ernstige schending van de mensenrechten en het niet naleven van de voorschriften voor de behandeling van gevangenen, zoals opgesteld door de Verenigde Naties. De meeste Bolivianen zijn te arm om enige vorm van rechtsbijstand te krijgen. Zodoende zit meer dan zestig procent van de gevangenen vast zonder dat er een, al dan niet eerlijk, proces heeft plaatsgevonden. Op een uitspraak moeten ze soms twee of drie jaar wachten.

Voor gevangenen als Thomas, James en Marco is het systeem aanzienlijk milder: de combinatie van een goede advocaat en een corrupte rechter zorgde ervoor dat zij wegkwamen met de helft van de straf die normaal gesproken wordt opgelegd voor het smokkelen van drugs. Zo’n vijfenzestig procent van de gevangenen in San Pedro zit vast voor dit vergrijp, waaraan wordt gerefereerd met de code milocho. 1008 is de wet op drugssmokkel die onder toezicht van het Amerikaanse DEA, Drugs Enforcement Agency, wordt nageleefd.

Bolivia is met Colombia en Peru de grootste producent van cocaïne ter wereld. De Verenigde Staten vormen de grootste afzetmarkt en proberen het probleem bij de wortel aan te pakken.

Bolivia is met Colombia en Peru de grootste producent van cocaïne ter wereld. De Verenigde Staten vormen de grootste afzetmarkt en proberen het probleem bij de wortel aan te pakken – door afspraken te maken met de Boliviaanse regering om cocavelden te vernietigen, maar ook door een verscherpte controle op drugssmokkel.

Bij de poorten van de gevangenis houdt de Amerikaanse bemoeienis op. Hier begint een overlevingsrace: de gevangenen krijgen te maken met erbarmelijke hygiënische omstandigheden, met een dieet waarin zo weinig voedingsstoffen zitten dat velen leiden aan bloedarmoede. En bovendien hebben ze geen medische voorzieningen. Tenzij er wordt betaald, natuurlijk. Want in de gevangenis van San Pedro valt over alles te praten.

Lonely Planet-held
Thomas bestelt nog een Heineken importbiertje. Hij buigt zich wat, zodat zijn stem boven de harde latin-rock te horen is. Morgen moet ik James opzoeken, zegt hij, terwijl hij diens naam op een bierviltje schrijft. Hij verleent zijn oude lotgenoot graag een vriendendienst. Een paar jaar terug was Thomas degene die begon met het verzorgen van rondleidingen aan buitenlandse bezoekers. Onder backpackers werd hij een begrip; op de website van de Lonely Planet-reisgidsen circuleerde zijn naam. Elke dag wist hij wel een paar op sensatie beluste rugzaktoeristen binnen te smokkelen.

Wat het hem uiteindelijk op zou leveren, kon hij toen nog niet voorzien: een Australiër die hij op een van zijn rondleidingen ontmoette, besloot zijn baan als advocaat tijdelijk op te geven en een halfjaar uit te trekken om het levensverhaal van Thomas op te schrijven, met de nadruk op zijn tijd in San Pedro. Dat was spectaculair genoeg om een uitgever te vinden die wel een flink voorschot aan auteur en hoofdpersoon wilde geven. ‘En vandaar dat ik nu hier zit,’ grijnst Thomas.

Hij licht vast een tipje van de sluier op van het te verschijnen werk: die avond dat hij een bewaker had omgekocht om een avondje met hem uit te gaan staat er bijvoorbeeld in beschreven. Hij had een Israëlisch meisje ontmoet dat met hem mee terug naar San Pedro was gegaan. ‘Eerst geloofde ze me niet toen ik zei dat ik om half vijf terug moest zijn voor het ochtendappèl. Ze dacht dat het een smoes was, dat ik een vrouw had die thuis op me zat te wachten. “Kom maar mee, dan zul je het wel zien,” zei ik.’ De twee werden verliefd op elkaar en de volgende drie maanden bleef de Israëlische in Thomas’ cel.

En wat te denken van het verhaal van de gevangenisdirecteur die bij Thomas aanklopte omdat hij wist dat je bij hem de beste coke kon krijgen? ‘Hij had twee flessen Johnnie Walker meegenomen om me te paaien. Of ik maar even vijf gram kon bestellen.’ Hij heeft nog veel meer anekdotes. Van de nacht in de isoleercel, toen een collega-crimineel met de snelste vingers van La Paz de kluis had gekraakt, waaruit ze in beslag genomen drank en drugs hadden gehaald… of hoe hij met zijn eigen ogen had gezien dat een kinderverkrachter werd gelyncht door tientallen andere gevangenen… maar het is laat en de volgende ochtend moet ik op bezoek bij James. Thomas blijft achter in een menigte die de teksten van Ricky Martin scandeert. Een meisje met rugloos topje slaat haar armen om zijn hals als hij zich weer op de dansvloer begeeft. Een zwarte knipoog is het laatste wat ik van hem zie.

Schoolbus voor de poort
James is blij te horen dat Thomas van zijn vrijheid geniet. ‘Een feestnummer,’ herinnert hij zich zijn vriend, ‘maar wel een met een drugsprobleem.’ We zijn aangeschoven aan een tafeltje in de recreatiezaal, waar we met een hamburger schuilen voor de regen die weer in alle hevigheid is losgebarsten. Links van ons buigen mannen zich over het biljart, rechts spelen kinderen op een verhoging met een tol.

’s Ochtends vroeg staat er een schoolbus voor de deur te toeteren en ’s middags worden de kinderen weer afgeleverd aan de poort

Het zijn geen tijdelijke bezoekers, vertelt James. Op de 1500 gevangenen leven in San Pedro maar liefst 400 kinderen die buiten de gevangenis geen huis hebben waar ze terecht kunnen. Moeder moet buitenshuis de kost verdienen om het gezin te onderhouden en de kinderen zijn beter af onder de bescherming van hun vader dan buiten op straat – ook al leven ze hier tussen moordenaars en drugsdealers.

’s Ochtends vroeg staat er een schoolbus voor de deur te toeteren en ’s middags worden de kinderen weer afgeleverd aan de poort, vaak de met de boodschappen waarop hun vader ze heeft uitgestuurd. Gegiechel stijgt op uit een groepje meisjes in de hoek als ze mij met James zien zitten. Klik, klik, zegt de camera.

Het is tijd voor de laatste transactie: James krijgt het afgesproken bedrag. Hij neemt de verdere afwikkeling met de bewakers voor zijn rekening, zegt hij terwijl hij de biljetten in zijn opgerolde mouw steekt. Hij gaat mee naar het hek en daarna verdwijnt zijn lange gestalte in de drukte van bezoekers die zich een weg naar buiten wurmen.

Bij de poort klinkt het opeens bars: ‘Je camera!’ De bewaker heeft een goed geheugen en is opeens niet meer zo toeschietelijk als een paar uur geleden. ‘Openmaken die tas!’ beveelt hij. Jammeren heeft geen zin. In één beweging is mijn toestel opengemaakt en rats, daar gaat het bewijsmateriaal. Met een laatste klik valt de zware ijzeren deur in het slot.

Naschrift: het boek waarover Thomas McFadden spreekt, heet ‘Marching Powder’. Het werd geschreven door Rusty Young en in 2002 gepubliceerd.